Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for 21 maart 2009

een gruweldicht

langs de paden van verdorde vogeltjes met houten poten
wacht ik in de pijnboom op pleuris voor pokkenkauwen
met git in de kop en zwaarden van zwavel in scheepsmondjes
om te roeren de stofzuiger met piepende propwieltjes

het bed van stenen is de laatste
rustplaats van haren uit het hoofd
en mokkende murmels vocht van
een veer uit dronken dorgrond

plankjes knakken onder de gele borstjes vandaan
met dank aan de serieuze stenen van de zwarte
grollen in het rokende roergebied onder bomen
van schnitzels als schreeuwende wonden

het bed van stenen is de laatste
rustplaats van haren uit het hoofd
en mokkende murmels vocht van
een veer uit dronken dorgrond

schellen in de gang en schuifels achter de deur
zachte wolken van duistere pakkingen in mannetjes
van dentaalwit boven de daken git gescheurd wol
uit oma’s winkeltje achter de schelmen stammen

het bed van stenen is de laatste
rustplaats van haren uit het hoofd
en mokkende murmels vocht van
een veer uit dronken dorgrond

ik dacht aan de boom en zag haar vallen met het
metaal en geel als inhoud voor een maandstond
aan vallende bloedziektes zo met van die trillingen
varkensvlees op de grote korrel de muren spuwden

het bed van stenen is de laatste
rustplaats van haren uit het hoofd
en mokkende murmels vocht van
een veer uit dronken dorgrond

Advertenties

Read Full Post »

een gruweldicht

‘Het was niet zoals andere voorwerpen op de binnenplaats, in ondoordringbare duisternis gehuld, maar er straalde een
naargeestig licht van uit, als van een bedorven kreeft in een donkere kelder.’
Charles Dickens, ‘Een kerstzang in proza’.

                                de geeuw
van een bril zonder glazen
onder blauw licht van de
drie broeders tot ogen
geroepen zij blazen het
schaafsel voor het kelen
vermurwd in de nevels
van het klokkenspel

                                de geur
van tanden achter slot
en grendel de lichte voeten
van opgespoten maters
zie ik galopperen in gas
ik ruik niets mijn kijkers
te leen aan bosjes hulst
achter bij de huig

Read Full Post »

een gruweldicht

Voor I.

goudgeluimde snippers dag nassen als nagels kleefsels jicht
zwart krassen ze in de wissels van het moeten ze kreunen
verdomd ik rijt de kleur aan reten met schwalbes van onbenul
en stoffeer de nacht met pareltjes pracht als lange scheurtanden
van heintje zonder mama met die banden van arabisch goed
                          wie vraag ik
heeft geklopt met de hand in een envelop van vergane uren en
lust en kramp en kwel en tevree dat is zeker niet lachen
kots en gaap nu ginnegap mijn naam is virus ik kom in
macabere mantels mooi van fluweel uit nevels naargeestig neergaan

                          in doorregen druppels
als langzaam scheren over de stoppelwang van de gier niet
zomaar verdonkeren en verdonkeremanen als het balm in zweet
van de hand van nu het doek werpen nee nee nee ik zeg pas
op kleine kuikentjes met krulspelden en kriekenbier daar seist de
boot niet door golven gerommeld en geborreld maar als een hulk
hupt het van hopstaakje door de lucht schreeuwt om te scharrelen
scheert nu ook ja het staat voor de deur te rammelen en te
rotzooien en te rukken aan een spuitgrage reuzenroede van roest
zo zwart als zweren op de zwengel immer op de punt van de punter

Read Full Post »