Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘jan doornbos’

Dat elke dag wat leger wordt, vooruit
en dat tegelijkertijd je polen smelten –
hetgeen je nu nog wint, begint zich
morgen te verliezen en de tijd kruipt o

zo stoïcijns vooruit, hij rekt en strekt
zijn gladde rupsenlijf tot het dak
begint te lekken en de gevels scheuren,
tot seizoenen overhoop naar god

weet waar vertrekken, tot je onverhoeds
een woord verliest zoals calamiteit
omdat je mededogen slijt en pijn zich aan
je opdringt tot je niet meer zonder kunt –

Vooruit. Maar dat de morgen op een dag
geluidloos, nors verstrijken zou, de huid
van je huis onberoerd, ontdaan van
dons en zachte prietpraat van geliefden –

Advertenties

Read Full Post »

Dichters weten zelf niet wat ze zeggen:
in de donkere dagen is ze bij duende,
de danspassen kent ze, de koninklijke weg
naar het onderbewuste, de schreeuw van

een volk tussen hamer en heks. Hier is
haar publiek nog onschuldig, de mens
in slapende toestand te wiegen, bemind
te worden is dansen met je ziel.

Het was lang een gerucht van macht en
verleiding, slechts in een wit hemd gekleed.
Ze wil er mooi uitzien, sensueel, virtuoos,
als een schreeuw van het leven.

Wat drijft de mens? De toekomst van een
illusie, een verborgen kunstenaar.
De droom is de beschermer van de slaap,
jij diepe rode sjansprinses.

Read Full Post »

Er zit een kind in mij dat verder wil,
de duinen in, naar zee, een roekeloze man
in spe die de gauwdief die jouw liefde
telkens weer met vuile voeten treedt
het liefste van ons af wil slaan.

In jou zit een meisje dat wiebelt
op haar stoel, dan naar links en dan
naar rechts, dat kruimels morst, en
een vrouw die weegt en niet meer vraagt
wie strijkt de rimpels uit mijn ziel.

Wij kunnen ons niet helpen, onze blikken,
onze handen, onze woorden zijn we kwijt
en andere bestaan er niet. Aan het ontbijt
staat tussen ons de zwarte fles
die we niet meer kunnen sluiten.

Read Full Post »

De weg is smal en bochtig hier,
als er een tegenligger nadert
moet er iemand uitwijken.
Jij bent iemand die uitwijkt.

De ruiten beslaan, nu we even stilstaan.
Hier stond ik aan het hek, zeg je,
hier wachtte ik tot iedereen thuis was.
Jij bent iemand die wacht.

Je kijkt naar het hek, naar het huis
dat je meende te kennen en vraagt je af
of er daar iemand thuis is.
Maar je weet beter.

Je hebt er gewacht.
Je bent uitgeweken.

Read Full Post »

De tuin ademt vanmorgen geesten uit
die samenspannen, handen vasthouden,
maar dan worden ontbonden door

de naderende zon. Een krokus opent
zelfbewust zijn paarse mond. Onbeduidend
leven is hier niet te vinden.

Jij hebt je teruggetrokken in een regenbui,
weerbarstige gedachten van je af gewassen,
de twijfels uit je haar gekamd, je lippen

tot de tanden bewapend. Jij bijt de angst
wel van je af.

Ik zou een vreemd insect willen ontdekken
dat ik je nog kan tonen voordat wij
vertrekken. Dat we bij ons kunnen dragen

als een amulet, want
scalpels snijden aan twee kanten.

Read Full Post »

Misschien vind je de weg nog terug, naar zee.
Jij hoort door golfdalen te glijden, met hoge bogen
over kliffen heen te keilen, leunend op de wind
en met je lange neus omlaag gericht.

Jij bent een beest van zout en nat, te groot voor
dit benepen binnenland. Je vleugels zijn te lang,
te smal voor in de stad, ze lijken hier, tussen die
akelige daken, van onhandelbaar papier.

Ik hoop dat je de weg weer vindt, naar zee.
Want landerige meeuwen lachen je maar uit en
kraaien zeuren aan je doodvermoeide kop terwijl

je wiekt en bochelt door de veel te zoete lucht –
ze kennen je nu eenmaal niet, behalve bij gerucht.
Wat doe je hier, bezopen dier. Waar hoop je op?

Read Full Post »